Te veel spullen maakt ongelukkig

De verspulling heeft een hoogtepunt bereikt

De westerse consument stikt van de spullen. Of anders gezegd, stikt erin. Dat maakt ongelukkig, schrijft trendvoorspeller James Wallman in een pas verschenen boek. Tijd om te ontspullen.

Pas op! Te veel spullen bezitten is schadelijk voor uw gezondheid.’ Zo’n waarschuwing in vette zwarte letters, net als op pakjes sigaretten, zou op veel dingen niet misstaan. De westerse mens gaat gebukt onder een enorme hoeveelheid rommel. Overconsumptie is een aandoening, net zo ernstig als obesitas. Het maakt ongelukkig, depressief, angstig, kan zelfs dodelijk zijn en is ook nog eens slecht voor het milieu.

Boude stellingen, van de Amerikaanse schrijver en trendvoorspeller James Wallman. Hij schreef het boek ‘Stuffocation’, dat net uit is in Nederland. Stuffocation, een samentrekking van ‘stuff’ en ‘suffocation’, betekent letterlijk: stikken in de spullen. Het is niet goed te vertalen, ‘verspulling’ komt in de buurt.

What’s new, zou je zeggen. Een dikke eeuw geleden kwam de Amerikaanse econoom Thorstein Veblen al met de term ‘conspicuous consumption’, opzichtige consumptie. Hij liet de evolutionaire principes van Charles Darwin los op de economie en zag dat mensen – rijk en arm – op jacht naar status en aanzien allerlei onzinnige dingen aanschaffen. Dat leidt tot ‘opzichtige verspilling’, tandenknarste Veblen.

Ook Wallman kan het moeilijk aanzien. Een eeuw later is er volgens hem wel veel meer over het probleem te zeggen. De consumptie is in die honderd jaar tot ongekende hoogten gestegen. Een teveel aan spullen maakt ongelukkig, onderbouwt hij met recent onderzoek. Psychologen bijvoorbeeld toonden met hormoonmetingen aan dat rommel stress veroorzaakt en andersom. Mensen moeten iets met de spullen: gebruiken, opruimen, onderhouden. Dat kost allemaal tijd en energie.

Antropologen onderzochten huishoudens uit de Amerikaanse middenklasse als ware het een stam in de binnenlanden van Indonesië. Ze observeerden, telden spullen, hielden de activiteiten van de bewoners minutieus bij. Dat leverde volgens de wetenschappers verbijsterende resultaten op. Het kleinste huis, van 90 vierkante meter, bevatte alleen al in de twee slaapkamers en de woonkamer 2260 dingen. En dat waren dan de zichtbare spullen, de onderzoekers hadden afgesproken niet de kasten en de laden open te trekken. Driekwart van de families hadden zoveel spullen dat de garage helemaal volgepakt stond en de auto buiten moest overnachten. Hoewel ze flitsende barbecuesets hadden, brachten de volwassenen gemiddeld slechts vijftien minuten per week in hun eigen tuin door.

De laatste constatering is de grote drijfveer voor trendwatcher Wallman. Iets doen of iets ervaren levert mensen meer voldoening op dan iets kopen of hebben. Het is zijn overtuiging, maar ook die probeert hij met onderzoek te staven. Hij ziet als voorspeller een kleine voorhoede, de minimalisten, die zich al proberen te ontdoen van hun materiële welvaart. Ze geven hun geld liever uit aan ‘ervaringen’, belevenissen zoals reizen, een festival bezoeken, etentjes organiseren. En wonen kleiner, vaak in steden waar ‘belevenissen’ voor het oprapen liggen.

Alleen, hoe kom je er vanaf, van de aandoening ‘spullen verzamelen’? Dat kan rigoureus. Wallman beschrijft het experiment van twee vrienden die alles wat ze hadden in dozen stopten. In hun kale, lege huis, pakten ze vervolgens alleen uit de dozen wat ze nodig hadden. Een tandenborstel, een bord, een stoel. Dat was verrassend weinig en ze voelden zich er verbazingwekkend goed bij. Anderen zoeken het in tellen en boksen tegen elkaar op met hoe weinig dingen ze toe kunnen: 69, 100, 288. Dat leidt dan wel weer tot gekibbel over definities: tellen de laptop en het noodzakelijke snoer om hem op te laden voor één ding of voor twee? De ‘opzichtige consumptie’ van eerst lijkt hier vervangen door ‘opzichtige anti-consumptie’, net zo Darwinistisch status najagen maar dan met zo min mogelijk spullen.

Een andere radicale stap is ‘het simpele leven’. In de meest extreme vorm je terugtrekken in het bos, zelf hout hakken, groenten verbouwen, vruchten plukken. Een romantisch ideaal, maar moeilijk om vol te houden. Hoe doe je dat eigenlijk, een bruikbare voorraad brandstof opbouwen om de winter door te komen? Daarnaast doemen voor de moderne mens weer lastige keuzes op: mag je eerst lekker shoppen bij de outdoorwinkel om vervolgens te gaan survivallen, veilig met de mobiele telefoon in de waterdichte, maar toch ademende jas.

De minimalisten zetten een trend, maar een begaanbare weg voor de doorsnee westerse burger is het niet, erkent Wallman. Tellen kan wel nuttig zijn voor bewustwording. Kijk rond in je huis, leg vast wat je allemaal hebt, of het rondslingert of op een eigen plek ligt en wat je er (niet) mee doet. Een goed begin is de sokkentest. Wallman kwam tot 39 paar: 30 paar voor dagelijks gebruik, twee paar sportsokken (voor die ene keer per jaar dat hij squasht), een paar fietssokken (bestaan die?), drie paar voetbalsokken, waarvan een paar ‘sentimentele’ vol met gaten (van zijn vader) en dan nog drie paar skisokken op de vliering.

Doe weg wat je niet gebruikt. ‘Ontspullen’, is zijn devies. Zodat er ruimte in het hoofd en in de agenda komt voor blijmakende activiteiten. Wordt, kortom, een ‘experientialist’. Ook weer lastig te vertalen, zoiets als een ‘ervaarder’, ‘belevenisser’, ‘mens die iets meemaakt’. Natuurlijk steekt ook hier Darwin de kop op. Lekker vrienden de ogen uitsteken met een foto van een bountystrand of een filmpje van de hipste yogatraining. Dankzij Facebook en andere platforms ook onmiddellijk wereldkundig te maken.

Niks aan te doen, haalt Wallman de schouders op. De mens is nu eenmaal een paradijsvogeltje dat wil imponeren. Toch valt het najagen van belevenissen te verkiezen boven spullen. Ervaringen zijn lastiger in geld uit te drukken, van belevenissen worden mensen hoe dan ook gelukkiger dan van materie en het is ook nog eens beter voor de planeet.

De oorsprong van de weggooicultuur

Het ging goed in de jaren twintig van de vorige eeuw in Amerika. De burgeroorlog was alweer zestig jaar geleden. Miljoenen hectaren grasland waren veranderd in productieve akkers. Het land lag bezaaid met fabrieken en spoorwegen, wolkenkrabbers verrezen.

Het ging dusdanig crescendo dat al die boeren en bedrijven veel meer produceerden dan de Amerikanen konden consumeren. Wat te doen? Minder produceren of meer consumeren? Sommigen dachten het eerste. Er werd al een ‘eeuw van de vrije tijd’ voorspeld, door wetenschappers als John Maynard Keynes. Maar het draaide uit op het tweede, zo beschrijft James Wallman in zijn boek. Meer consumeren was een win-win-win-win-situatie: meer kopen zou leiden tot meer banen, hogere lonen, stijgende winsten en een vollere schatkist.

Hoe krijg je echter mensen aan het consumeren die al een punt van ‘verzadiging van behoeften’ hebben bereikt, zoals de Amerikaanse minister van arbeid destijds constateerde. Door veel meer reclame te maken en anders te produceren. Prees een fabrikant zijn sofa eerst aan met de aanbeveling dat die ‘een leven lang meegaat’, nu ging hij de sofa telkens veranderen. Een ander kleurtje, een veranderd model, nieuwe stoffen. Een product was niet langer slechts nuttig en degelijk, maar eigentijds, modieus. Het werkte. De levenstandaard ging verder omhoog en andere delen van de wereld kopieerden het recept.

En de Chinezen dan?

Het is leuk, filosoferen over te veel spullen. Maar in grote delen van de wereld dromen ze nog van het volstouwen van hun huis. Vooral in de grote opkomende economieën, zoals China en India. Als die koelkast, stofzuiger, auto bereikbaar is, dan komt die er.

Het goede nieuws volgens James Wallman is dat het veel sneller zal gaan dan de 150 jaar die het Westen er voor nodig had. Ze bereiken in 2037 het punt van overconsumptie, denkt Wallman, dat is in een derde van de tijd. Dan zal ‘stuffocation’, het verdrinken in spullen, ook daar een groot probleem zijn.

Ze zullen dus ook sneller overschakelen op het hebben van ‘belevenissen’ in plaats van het najagen van bezit. De eerste signalen zijn er al. Chinezen worden zich bewuster van ‘kwaliteit van leven’. Ze demonstreren tegen de zware vervuiling in de steden. De levensstandaard is vier keer zo hoog geworden in twintig jaar tijd, maar volgens onderzoek dat Wallman aanhaalt zijn de mensen er in die periode niet gelukkiger op geworden.

Een voorhoede in de jonge generatie keert zich al af van het materialisme. En de rijke bovenlaag gaat inmiddels reizen of golfen in plaats van de zoveelste nieuwe Gucci-tas aan te schaffen.

Het wordt zelfs Ikea te dol

De westerse consument heeft geen zin meer in het kopen van nog meer meubels. Huizen staan vol genoeg, een ritje naar de Ikea is steeds minder nodig. Dit is geen wensdenken van duurzame goeroes. De stelling komt uit de koker van het woonwarenhuis zelf.

“Waarschijnlijk zijn we voorbij de spullenpiek”, zei het hoofd duurzaamheid van Ikea Steve Howard vorige maand. Tijdens een duurzaamheidsdebat georganiseerd door de Britse krant The Guardian trok hij een parallel met de ‘oliepiek’. Dat is een begrip om aan te duiden wanneer de olieproductie op het hoogtepunt is. Voorspellingen daarover lopen uiteen, volgens sommigen is ‘peak oil’, zoals het heet, al geweest. Alleen achteraf is dat vast te stellen. Howard breidt het begrip uit. Hij ziet niet alleen een spullenpiek. “Ik zou zeggen dat we ook een roodvleespiek, een suikerpiek, een woninginrichtingspiek bereikt hebben.”

Opmerkelijk, want Ikea is van plan tussen nu en 2020 de omzet zo ongeveer te verdubbelen. Volgens Howard hoeft dat elkaar helemaal niet tegen te spreken. De verkoper van huisraad moet zichzelf opnieuw uitvinden. “We zullen in toenemende mate een circulair Ikea creëren, waar je producten kunt laten repareren en recyclen.”

Er zijn meer signalen dat consumenten in het Westen verzadigd lijken te raken. De cijfers van het zeer gewilde Apple geven een hint. In de laatste drie maanden van 2015 is de verkoop van iPads in elkaar gekukeld van 21 miljoen schermpjes een jaar eerder naar 16 miljoen. Het is anekdotisch bewijs, maar de cijfers passen wel in de al jaren teleurstellende consumentenbestedingen in het Westen. Natuurlijk: er was een diepe economische crisis, teveel schulden die nog afbetaald moeten worden, weinig vertrouwen in de toekomst. Maar ook als je dat verdisconteert, blijven de uitgaven van consumenten achter.

Of ze de materialistische spullenrace zat zijn, zich wenden tot de deeleconomie, massaal hun spullen repareren of weggeven, zal later pas echt blijken. Er is in ieder geval iets anders aan de hand dan na eerdere recessies.

Het is de ongelijkheid, is ook een veel geopperde verklaring. De lagere en middeninkomens zijn achtergebleven. In sommige landen zozeer – de VS, Engeland – dat bedrijven vrijwillig hogere lonen gaan betalen. De grootste detailhandelsketen van de wereld, Walmart, betaalt de werknemers sinds begin deze maand minimaal 10 dollar per uur en gaat ze beter scholen. Omdat werknemers ook weer consumenten zijn. Maar ook om beter uit te kunnen vinden wat die consumenten nu eigenlijk nog willen.

Material world

Zestien fotografen bezochten voor het project ‘Material world’ dertig landen en verbleven er een week bij een ‘doorsneegezin’. Aan het eind van de week stalden de families al hun bezittingen uit voor hun huis. Soms waren het een paar potten en pannen, soms bergen elektronica en andere hebbedingen. De fotografen wilden zo zaken aankaarten als het milieu, sociale gelijkheid, consumptie en de vraag of er genoeg is voor alle zes miljard aardbewoners.

Bron: Trouw, de verspulling heeft zijn tijd gehad, 23 februari 2016